Wet op Veiligheidsregio's: analyse taken en middelen brandweer

In de wet Veiligheidsregio’s staat als taak voor de brandweer omschreven: het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt; althans de feitelijke uitvoering hiervan. Ik heb een korte analyse gemaakt van de instrumenten die de brandweer heeft om deze taken uit te voeren.

Een klein historisch onderzoek naar de brandweerwet uit 1947, 1952 en 1985 (zie de site van het NBDC) leert dat de omschrijving van de taak van de brandweer al die tijd ongewijzigd is gebleven.
De betrokkenheid van de brandweer bij het voorkomen van brand (anders dan door voorlichting) is niet noemenswaard.  Bij het beoordelen van primaire brandrisico’s (zoals elektrische installaties en brandgevaarlijk werk) speelt de brandweer geen rol.
De afdelingen Preventie houden zich met name bezig met het beperken van brand en ongevallen bij brand, door het toepassen van de bouwregelgeving. Van de bouwregelgeving is niet veel bijzonders te verwachten op het gebied van voorzieningen die het werk van de brandweer effectief maken, de aandacht is meer gericht op goedkoop en zuinig bouwen. Dit blijft dus vaak een achterhoedegevecht.
De taken ten aanzien van het bestrijden van brand worden ingevuld met gebruikmaking van  beperkte middelen, die veelal niet afgestemd zijn op het te verwachten brandgedrag van gebouwen. Daardoor blijft het bestrijden van branden in veel gevallen beperkt tot het “nathouden van de kantjes” en het laten uitbranden van het gebouw.
Het voorkomen van ongevallen bij brand (het redden van mens en dier) wordt steeds meer overgelaten aan de gebruikers van bouwwerken, een serieuze invulling van redding wordt met het gegeven gedrag van gebouwen, de prioriteit op “eigen veiligheid” en de toegenomen juridisering langzamerhand een hachelijke aangelegenheid.
Waarom is dat eigenlijk zo ?
Er zijn zinvolle maatregelen en voorzieningen denkbaar die het werk van de brandweer makkelijker en effectiever maken en die weinig kosten met zich meebrengen. De toepassing van deze voorzieningen wordt door een combinatie van politieke – en marktfactoren en juridische beperkingen tegen gehouden.
De huidige organisatie van de repressie door de inzet van overwegend vrijwilligers is zeer kosteneffectief. Het uithollen van de slagkracht door het sluiten van posten en reduceren van voertuigbezettingen lijkt onder de gegeven omstandigheden ondenkbaar maar wordt met een divers scala aan motieven (arbo-wet, kosten, opkomsttijden) voortvarend opgepakt.
De problematiek van bluswatervoorziening is de afgelopen periode goed geanalyseerd (Suurenbroek), ondanks dat lijkt de bluswatervoorziening alleen maar slechter geworden.
Het sturen op opkomsttijden lijkt te verworden tot een loos managementinstrument waarmee alleen maar het eigen “falen” inzichtelijk kan worden gemaakt (Hilversum, 16 januari 1997).
De huidige branche-organisatie NVBR heeft grote moeite met haar onafhankelijkheid, en komt daardoor alleen tot controversiële adviezen, er is een nadrukkelijke tegenkracht ontstaan.
Bij de recente behandeling van de wet op de veiligheidsregio’s heeft “de brandweer” geen enkel technisch-inhoudelijk onderwerp geagendeerd, louter juridische en organisatorische zaken kwamen aan de orde. Vervolgens wordt een buitengewoon vaag geformuleerd vernieuwingsprogramma ingezet zonder concreet uitvoerbare agendapunten die preventie en repressie verbeteren.
Kortom: de brandweer lijkt bij een serieuze invulling van haar werk steeds weer achter de feiten aan te lopen. Dit terwijl er al meer dan zes decennia sprake is van een goed in de wet omschreven taak.
Een opvallende rode draad in 60 jaar regelgeving is overigens het streven om door schaalvergroting te komen tot efficiency, en een afweging van risico tegen kosten. Geenszins een nieuwe ontwikkeling dus.
Als laatste: een interessante passage uit de correspondentie tussen de minister en de kamer bij de behandeling van de brandweerwet van 1952 wil ik u niet onthouden: er was ook toen al behoefte aan een sterk gepositioneerd adviserend instituut (nadrukkelijk los van de centrale overheid), en dualisme tussen het rijk en de gemeenten werd ook toen als zeer wenselijk gezien.
Wie pakt de handschoen op ?
Marcel Lasker

Bron: 
Brandveilig.com